Handleiding examinatoren

Beknopte Handleiding examinatoren
Toetsen Eerste Hulp aan kinderen
van Het Oranje Kruis

december 2009

1. Inleiding

De aangescherpte regelgeving van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met betrekking tot van gastouders per 1januari 2010 heeft tot gevolg dat het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen van het Oranje Kruis zich in een grote belangstelling mag verheugen. Ook u, als instructeur Eerste Hulp aan Kinderen van Het Oranje Kruis zult dat hebben gemerkt. Gastouderbureaus, opleiders, gastouders en hun klanten hebben er allemaal belang bij dat de gastouders over het geregistreerde certificaat van het Oranje Kruis beschikken.
Veel gastouders hebben een Eerste Hulp opleiding gevolgd die niet door een bevoegd instructeur Eerste Hulp aan Kinderen van Het Oranje Kruis is gegeven en getoetst. Om in het bezit te komen van een geregistreerd certificaat van Het Oranje Kruis, moeten zij alsnog getoetst worden door een bevoegd instructeur Eerste Hulp aan Kinderen en een instructeur PBLS/AED. Velen van u hebben verzoeken ontvangen om gastouders die door een niet bevoegd Eerste Hulp aan Kinderen-instructeur zijn opgeleid, competent te verklaren. Soms vraagt men u eerst de praktijkles(sen) te geven, soms gaat het alleen om het afnemen van de toets.
Het is belangrijk ook in deze situatie vast te houden aan de eisen die normaal worden gesteld aan de kandidaten voor een certificaat Eerste Hulp aan Kinderen.
U bent als instructeur Eerste Hulp aan Kinderen gewend om de competenties van uw cursisten tijdens de cursus te beoordelen. Hoe gaat u dat doen als u alleen maar een toets kunt afnemen of alleen een praktijkles en een toetmoment hebt om de kandidaten te beoordelen?
Met deze beknopte handleiding willen wij u een handvat geven om ook in deze laatste situaties de kwaliteit van de Eerste Hulp hoog te houden.
Mogelijk kunt u er ook gebruik van maken bij uw 'normale' cursussen Eerste Hulp aan Kinderen, hoewel het niet de bedoeling is in die praktijk verandering te brengen.
In alle gevallen geldt dat u een kandidaat pas competent moet verklaren als u ook werkelijk van die competentie overtuigd bent.

2. Toetsing Eerste Hulp aan Kinderen

Het certificaat eerste hulp aan Kinderen valt onder de 'Regeling, betreffende het Diploma Eerste Hulp, de diploma's Jeugd Eerste Hulp en de daarop aansluitende modules' met de daarbij behorende Uitvoeringsbepalingen (Zie http://www.ehbo.nl/Brochures/Regeling.pdf en http://www.ehbo.nl/Brochures/uitvoeringsbepalingen.pdf.
In deze documenten worden de regels rondom examens en toetsen beschreven.

2.1 Aanmelding van de toets
De organiserende instantie meldt de cursus Eerste Hulp aan Kinderen uiterlijk vier weken voor de start aan bij Het Oranje Kruis. Bij deze aanmelding dienen de volgende gegevens aangeleverd te worden:
- NAW[1]-gegevens en relatiecode van de organiserende instantie
- Contactpersoon
- NAW-gegevens instructeur Eerste Hulp aan kinderen
- NAW-gegevens Instructeurs PBLS/AED
- Datum en tijdstip aanvang toets (als u een volledige cursus verzorgd, is dat de laatste cursusdag)
- NAW-gegevens toetslocatie

Bij afwijkende of onvolledige gegevens kan de aanmelding niet in behandeling worden genomen. Dit leidt tot vertraging in de aanvraag.

2.2 Inhoud van de toets
Bij de toets wordt beoordeeld of de kandidaat de leerstof praktisch en theoretisch beheerst. De kandidaat wordt getoetst op verschillende onderdelen en moet voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de eindtermen voor het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen (zie bijlage 1).

2.3 Opzet van de toets
Het afnemen van de toets kan op verschillende manieren gebeuren:
1. Gedurende de cursusperiode (theorie en praktijk), wordt de kandidaat getoetst op zijn/haar vaardigheden.
2. De cursus wordt afgesloten met een toets
3. De instructeur verzorgt alleen het praktijkgedeelte van de cursus en toetst dit ook

De toets wordt afgenomen door een erkende Instructeur PBLS/AED en een instructeur Eerste Hulp aan Kinderen. Dit kan één en dezelfde persoon zijn.
Bij toetsing aan het eind van de cursus wordt elke kandidaat gedurende ±30 minuten geëxamineerd. De instructeur(s) mogen maximaal 4 uur achtereen toetsen afnemen. Daarna dient een pauze te volgen van minimaal 45 minuten.
De kennis en vaardigheden van de kandidaten worden beoordeeld aan de hand van (ongevals)situaties met een slachtoffer met een bepaalde stoornis of letsel.
Het zwaartepunt van het examen ligt op de praktijk van de Eerste Hulp aan Kinderen.
Assistentie door (jeugd)lotusslachtoffer is mogelijk, maar niet verplicht.

2.4 Legitimatie
Zowel kandidaten als de instructeurs die de toets afnemen moeten zich bij aanvang van de cursus of bij het afnemen van de toets kunnen legitimeren met een paspoort, identiteitskaart, toeristenkaart, rijbewijs of gemeentelijke identiteitskaart. Zij die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten kunnen gebruik maken van een paspoort, het verblijfsdocument van de vreemdelingendienst, het vluchtelingenpaspoort of het vreemdelingenpaspoort.

2.5 Administratie afhandeling
Na afloop van de toets(en) stuurt de examinator het Registratieformulier Eerste Hulp aan Kinderen (te downloaden via http://www.ehbo.nl/registratieaanv.htm) én de individuele beoordelingslijsten van de kandidaten aan de afdeling C&E van Het Oranje Kruis. Op de achterzijde van het registratieformulier is ruimte om systematische fouten die geconstateerd zijn aan te geven.
Het Oranje Kruis zendt na ontvangst van de uitslag de geregistreerde certificaten en facturen naar de organisatie.
Voor die kandidaten die al in het bezit zijn van een geldig diploma Eerste Hulp wordt na ontvangst van de uitslag de registratie Eerste Hulp aan Kinderen bijgeschreven. Deze registratie wordt bij de eerstvolgende verlenging van het diploma hierop bijgeschreven. Indien gewenst, kan tegen meerprijs een certificaat of een duplicaat verzonden worden.
Betalingen dienen uiterlijk twee weken na de factuurdatum door het Oranje Kruis ontvangen te zijn.

2.6 Geldigheid certificaten
Het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen is gedurende 2 jaar geldig. De geldigheidsdatum staat op het certificaat vermeld.
De geldigheidsduur van het certificaat wordt op grond van na- en bijscholing telkens met 2 jaar verlengd wanneer men naar het oordeel van de bevoegde beoordelaar op het gebied van Eerste Hulp aan Kinderen aan de gestelde eisen voldoet.
De vervaldatum van certificaten van personen die al in het bezit zijn van het diploma Eerste Hulp, wordt gekoppeld aan de vervaldatum van dit diploma.

3.Praktische tips

Het Oranje Kruis streeft ernaar de toetsen voor deelnemers aan de cursus Eerste Hulp aan Kinderen zo te organiseren en in te richten dat de omstandigheden voor alle kandidaten zo gelijk mogelijk zijn. Examinatoren[2] spelen daarbij een belangrijke rol.

Aan het begin van de cursus/toetsdag, legt de instructeur aan de gehele groep uit hoe getoetst. Hij/zij gaat in op de eigen rol van examinator. Wat kunnen ze van de examinator verwachten? Maakt hij wel of geen opmerkingen tussendoor? Stelt hij vragen? Verwacht hij wel/geen toelichting? Wat moet je doen als je een fout maakt? Mag een kandidaat vragen om stopzetting of niet? De bedoeling is om een zodanige setting te creëren dat de kandidaat de gevraagde competenties kan laten zien. De kandidaten moeten de kans krijgen ongestoord te werken. Dat betekent dat de examinator hen zo min mogelijk onderbreekt.

De toetsafname:
-Neem de tijd om kandidaten op hun gemak stellen door ze met een paar korte zinnen welkom te heten. De kandidaat krijgt zo de gelegenheid aan je stem en benadering te wennen voordat je met de opdracht begint.
-Maak de grenzen van de situatie duidelijk. Geef aan wanneer de beoordelingssituatie begint en eindigt, welke handelingen echt moeten worden uitgevoerd en welke niet.
-De kandidaat wordt beoordeeld op wat hij heeft laten zien, niet op wat hij zegt. Competentie is handelen.
-De examinator is zich bewust van zijn eigen vooroordelen, stokpaardjes e.d. en waakt ertegen dat deze van invloed zijn op de beoordeling.
-Houd rekening met toetsvrees.
-Probeer uit te stralen dat je vertrouwen hebt in de kandidaat. Geef kandidaten niet het gevoel dat je op een fout zit te wachten.
-Vul de beoordelingslijsten zoveel mogelijk in tijdens de casussen.
-Vragen tijdens een casus (heb je alles gedaan? Wat zou je met een sieraad doen?) en na afloop (waarom deed je dat zo?) moeten een doel hebben.

Tenslotte:
-Examinatoren doen tijdens de toetsdag geen uitlatingen over derden (personen of organisaties) in de wereld van de Eerste Hulp aan Kinderen of aanpalende gebieden.
-Als de examinator merkt dat cursisten van een bepaalde opleiding systematisch dezelfde fout maken, kan hij/zij de aanwezige vertegenwoordiger van die opleiding feedback geven. Daarnaast worden deze systematische fouten op het registratieformulier genoteerd

4. Gebruik beoordelingslijst

Tijdens de toets wordt een beoordelingslijst ingevuld (bijlage 2). Om te slagen moeten tenminste de onderwerpen Vijf belangrijke punten, Beoordelen bewustzijn, Beoordelen ademhaling, Vrijhouden luchtweg (stabiele zijligging), Reanimeren/AED, Stoppen uitwendig bloedverlies door druk ter plaatse, Verstikking met competent worden beoordeeld.
Uit de overige groepen op de lijst, moet steeds minimaal 1 onderdeel getoetst worden.
Bij het toetsen weegt de effectiviteit van de handeling zwaarder dan het 100% correct uitvoeren van de handeling.

Als er gedurende de hele cursus getoetst wordt, gebruikt de (eigen) daarvoor bevoegde instructeur de beoordelingslijst, waarop de competenties worden afgetekend. Op de laatste cursusdag is zo de hele beoordelingslijst per kandidaat ingevuld en is een duidelijk overzicht aanwezig van welke onderdelen de kandidaat al beheerst en welke nog niet zijn getoetst. Bij de keuze van de te toetsen onderwerpen houdt de instructeur/examinator hier rekening mee. Op basis van deze gegevens wordt besloten of tot uitreiking van het certificaat overgegaan kan worden of niet.


5. Tenslotte

- Het kan zijn dat de instructeur alleen gevraagd wordt om aan het eind van de cursus de toets af te nemen. In dit geval weet de instructeur niet wat wel en wat niet geleerd is. Om een redelijk beeld van de cursus te krijgen, wordt de examinator gevraagd wisselende onderwerpen te toetsen bij de kandidaten.
- Indien er klachten zijn over de toets, verwijst de instructeur naar de website van het Oranje Kruis, waar de folder Klachten gedownload kan worden.
- de instructeur kan, als hij daar redenen voor heeft, het Oranje Kruis gemotiveerd verzoeken een consulent bij de toetsafname aanwezig te laten zijn.


Bijlagen:
1. Eerste hulp aan kinderen: eindtermen
2. Beoordelingslijst

Bijlage 1
Eerste Hulp aan Kinderen: eindtermen
Vastgesteld door het College van deskundigen, mei 2006.
Eindterm AED vastgesteld december 2008

Doelgroep
a. Bezitters van het Diploma Eerste Hulp
b. Belangstellenden die (nog) niet in het bezit zijn van het Diploma Eerste Hulp. Deze ontvangen het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen.

Algemene doelstellingen
1. Inzicht verkrijgen in de verschillen tussen zuigelingen¹, kinderen en volwassenen, die van belang zijn voor de eerstehulpverlening, zoals:
lichaamsbouw;
gedrag van zuigelingen en kinderen bij ongeval en ziekte en de wijze waarop hierop het best kan worden gereageerd / mee kan worden omgegaan.
2. Eerste hulp verlenen aan zuigelingen en kinderen bij stoornissen in de vitale functies en plaatselijke letsels, die veel bij zuigelingen en kinderen voorkomen.
3. Inzicht verkrijgen in de gevaren die in het bijzonder zuigelingen en kinderen bedreigen en de wijze waarop deze kunnen worden bestreden.
4. Kennis verkrijgen over de wijze waarop ongevallen bij zuigelingen en kinderen kunnen worden voorkómen.

Eindtermen
Na het volgen van de module moet de eerstenhulpverlener aan de volgende eisen voldoen om in het bezit te komen en te blijven van het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen.

1. Algemene regels
Hij2 kan:
- de vijf belangrijke punten bij het verlenen van eerste hulp toepassen;
- omschrijven hoe een kind, zijn ouders of verzorgers bij een ongeval of plotseling optredende ziekte het beste kunnen worden benaderd en gerustgesteld en hoe paniek kan worden voorkómen / bestreden;
- beoordelen of al dan niet met spoed professionele hulp moet worden ingeschakeld en deze op de juiste wijze (laten) alarmeren en zo nodig assisteren en begeleiden;
- omschrijven hoe kindermishandeling kan worden herkend en hoe daarmee moet worden omgegaan;
- aangeven welke maatregelen kunnen worden getroffen om de veiligheid van kinderen te vergroten in en om huis, op straat, in een kinderdagverblijf en op school.

1 Met zuigelingen worden kinderen tot 1 jaar bedoeld en met kinderen wordt bedoeld kinderen van 1 jaar tot de puberteit.
2 Voor "hij", "hem" of "zijn" kan ook "zij" of "haar" worden gelezen.

2. Stoornissen in het bewustzijn
Hij kan:
- het bewustzijn van een kind beoordelen door aanspreken en voorzichtig schudden;
- een stoornis in het bewustzijn bij een kind herkennen / vaststellen;
- de meest voorkomende oorzaken van bewustzijnsstoornissen bij kinderen noemen.

2.1. Flauwte
Hij kan:
- een (dreigende) flauwte bij een kind herkennen, bewustzijnsverlies voorkómen en bij bewustzijnsverlies de juiste eerste hulp verlenen;
- aangeven wat de oorzaken van een flauwte zijn en hoe een flauwte kan worden voorkómen.

3. Stoornissen in de ademhaling
Hij kan:
- de ademhaling van een zuigeling en een kind beoordelen door kijken, voelen en luisteren en aan de hand van zijn waarnemingen de juiste conclusie trekken met betrekking tot het al dan niet voldoende functioneren van de ademhaling;
- bij een zuigeling buikademhaling herkennen;
- bij een zuigeling en een kind een effectieve hoest herkennen / vaststellen;
- bij een zuigeling en een kind dat bij bewustzijn is en een niet effectieve hoest heeft bij verslikking de luchtweg vrijmaken door het uitvoeren van de daartoe geëigende handelingen, waaronder borstcompressies (zuigeling) en de handgreep van Heimlich (kind);
- bij een zuigeling en een kind een normale of niet normale ademhaling herkennen / vaststellen;
- een bewusteloze zuigeling of kind met een normale ademhaling in de stabiele zijligging leggen en de ademhaling bewaken;
- aangeven wat bij zuigelingen en kinderen de meest voorkomende oorzaken van ademhalingsstoornissen zijn.

4. Stoornissen in het bewustzijn én de ademhaling
Hij kan:
- bij een zuigeling en een kind de circulatie beoordelen aan de hand van het bewustzijn en de ademhaling;
- bij een bewusteloze zuigeling of kind met een niet normale of afwezige ademhaling de mond openen en zichtbare voorwerpen verwijderen;
- bij een kind met een niet normale of afwezige ademhaling de mond-op-mond- of mond-op-neusbeademing toepassen;
- bij een zuigeling met een niet normale of afwezige ademhaling de mond-op-mond- of mond-op-neusbeademing toepassen;
- de verschillen aangeven tussen het beademen van volwassenen, kinderen en zuigelingen;
- een zuigeling en een kind met een geconstateerde circulatiestilstand reanimeren;
- de verschillen aangeven tussen het geven van borstcompressies bij volwassenen, kinderen en zuigelingen;
- bij een bewusteloos kind met een afwezige of onvoldoende ademhaling een Automatische Externe Defibrillator veilig en op de juiste manier gebruiken.

5. Ernstige uitwendige bloedingen
Hij kan:
- een ernstige uitwendige bloeding bij een kind herkennen / vaststellen;
- een ernstige uitwendige bloeding stoppen door:
het getroffen lichaamsdeel omhoog te brengen;
druk op de plaats van de wond uit te (laten) oefenen.

6. Shock
Hij kan:
- bij een kind een (dreigende) shock herkennen / vaststellen;
- aangeven wat bij kinderen de meest voorkomende oorzaken van shock zijn, voor zover relevant voor de te verlenen eerste hulp;
- zo mogelijk de oorzaak van de (dreigende) shock bestrijden;
- algemene maatregelen nemen om verergering en/of ontstaan van shock te voorkómen.

7. Uitwendige wonden
Hij kan:
- een uitwendige wond bij een kind herkennen / vaststellen;
- op grond van plaats, oorzaak, grootte en diepte van de wond en de kans op infectie en tetanus bepalen of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve hulp verleent;
- verontreiniging en besmetting van de wond en bloedverlies beperken;
- de definitieve behandeling aan een kind met een eenvoudige wond geven:
wond reinigen;
wond ontsmetten;
wond hygiënisch afdekken;
zo nodig steun en rust geven aan het gewonde lichaamsdeel.
- eerste hulp verlenen aan een kind met een uitwendige wond in afwachting van professionele hulp:
wond hygiënisch afdekken met een (wond)snelverband;
zo nodig rust en steun geven aan het gewonde lichaamsdeel.

8. Brandwonden
Hij kan:
- bij een kind eerste -, tweede- en derdegraads brandwonden herkennen / vaststellen;
- op grond van plaats, uitgebreidheid en diepte van de verbranding bepalen of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve hulp verleent;
- uitbreiding, verontreiniging en besmetting van brandwond(en) beperken;
- brandwonden koelen, bij voorkeur met zacht stromend, lauw (leiding)water;
- brandwonden hygiënisch afdekken;
- een kind met een mogelijk verbrande luchtweg in een zo comfortabel mogelijke houding brengen;
- brandwonden door bijtende stoffen langdurig spoelen met veel lauw (leiding)water.

9. Ontwrichting en botbreuken
Hij kan:
- een ontwrichting en een gesloten en open botbreuk bij een kind herkennen / vaststellen en verdere schade aan het getroffen lichaamsdeel voorkómen;
- pijn en ongemak voor het kind beperken;
- bij een open botbreuk verontreiniging en besmetting beperken;
- bij een ontwrichting en een botbreuk het getroffen lichaamsdeel onbeweeglijk houden;
- rust en steun geven aan een ontwricht / gebroken lichaamsdeel;
- bij een open botbreuk de wond afdekken.

10. Kneuzing en verstuiking
Hij kan:
- een kneuzing en verstuiking bij een kind herkennen / vaststellen;
- een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel koelen;
- een drukverband aanleggen om een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel;
- rust en steun geven aan een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel.

11. Oogletsels
Hij kan:
- een oogletsel bij een kind herkennen / vaststellen;
- bepalen of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve hulp verleent;
- indien toelaatbaar de oorzaak van het oogletsel opheffen en verergering en/of verlies van het gezichtsvermogen voorkómen;
- een loszittend vuiltje uit het oog verwijderen;
- bij een kind dat een bijtende stof in het oog heeft gekregen en bij een kind met een verbrand oog het getroffen oog langdurig met lauw leidingwater spoelen;
- aangeven dat bij een doordringende oogverwonding het voorwerp niet uit het oog mag worden verwijderd;
- aangeven dat een kind met een oogletsel niet in het oog mag wrijven.

12. Vergiftiging
Hij kan:
- vergiftiging via het spijsverteringskanaal bij een kind herkennen / vaststellen;
- inwerking van het gif beperken;
- eerste hulp verlenen aan een kind dat
een niet bijtend gif,
een bijtend gif
of
een petroleumproduct via het spijsverteringskanaal in het lichaam heeft gekregen.

13. Elektriciteitsongevallen
Hij kan:
- elektriciteitsongevallen herkennen en de situatie veiligstellen;
- de gevolgen van elektrische stroom door het lichaam beperken / bestrijden;
- aangeven dat bij een elektriciteitsongeval het kind pas kan worden benaderd nadat de stroomtoevoer is onderbroken;
- aan een kind met een stoornis in de vitale functies of brandwonden als gevolg van een elektriciteitsongeval eerste hulp verlenen in overeenstemming met de punten 2, 4, 5 en 9.

14. Letsels door koude
Hij kan:
- algehele onderkoeling en bevriezing bij een kind herkennen / vaststellen;
- verdere afkoeling voorkómen;
- de vitale functies veiligstellen;
- bij bevriezing: uitbreiding, verontreiniging en besmetting beperken.

15. Letsels door warmte
Hij kan:
- hittekrampen, warmte-uitputting en hitteberoerte bij een kind herkennen / vaststellen;
- de lichaamstemperatuur normaliseren / verdere stijging voorkómen;
- de vitale functies veiligstellen.


16. Kleine ongevallen

16.1 Bloedneus
- Hij is in staat om bij een kind een neusbloeding te stoppen.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.

16.2 Vreemd voorwerp in neus of oor
Hij kan uitleggen:
- hoe een vreemd voorwerp bij een kind uit neus of oor kan worden verwijderd en dit indien mogelijk ook uitvoeren;
- wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.

16.3 Vreemd voorwerp in de huid
- Hij kan vertellen hoe een loszittende splinter uit de huid van een kind kan worden getrokken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.

16.4 Insectensteken
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld als een kind door een insect is gestoken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.

16.5 Kwallensteken
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld als een kind door een kwal is gestoken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.

16.6 Uitgeslagen tanden, tand door de lip
Hij kan aan een kind eerste hulp verlenen bij:
- uitgeslagen tanden;
- een tand door de lip.

16.7 Tekenbeten
- Hij kan uitleggen wat de gevaren zijn van een tekenbeet.
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld bij een tekenbeet en dit ook uitvoeren.

17. Plotseling optredende ziekteverschijnselen
Hij kan uitleggen welke eerste hulp aan een kind moet worden verleend bij:
- een astma-aanval;
- een aanval van epilepsie;
- (hoge) koorts;
- misselijkheid, braken;
- kiespijn;
- hoofdpijn;
- oorpijn;
- buikpijn, diarree;
- allergieën.

18. Verband- en hulpmiddelen
Hij kan:
- omschrijven welk verbandmateriaal en andere hulpmiddelen het best kunnen worden gebruikt bij het verlenen van eerste hulp aan kinderen;
- aangeven welk verbandmateriaal er tenminste in een verbanddoos moet zitten voor gebruik in en om huis, op een kinderdagverblijf en op school.

19. Het menselijk lichaam
Hij kan:
- globaal de bouw en werking van het menselijk lichaam beschrijven en de verschillen aangeven tussen volwassenen, kinderen en zuigelingen, voor zover nodig om te begrijpen welke eerste hulp bij de verschillende hierboven genoemde stoornissen en letsels moet worden verleend, hoe en waarom.

 

Klik hier voor beoordelingsformulier te downloaden

 

NODE driehoek