Handleiding examinatoren 
Beknopte
Handleiding examinatoren
Toetsen Eerste Hulp aan kinderen
van Het Oranje Kruis
december
2009
1.
Inleiding
De
aangescherpte regelgeving van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap met betrekking tot van gastouders per 1januari 2010 heeft tot
gevolg dat het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen van het Oranje Kruis
zich in een grote belangstelling mag verheugen. Ook u, als instructeur
Eerste Hulp aan Kinderen van Het Oranje Kruis zult dat hebben gemerkt.
Gastouderbureaus, opleiders, gastouders en hun klanten hebben er allemaal
belang bij dat de gastouders over het geregistreerde certificaat van het
Oranje Kruis beschikken.
Veel gastouders hebben een Eerste Hulp opleiding gevolgd die niet door
een bevoegd instructeur Eerste Hulp aan Kinderen van Het Oranje Kruis
is gegeven en getoetst. Om in het bezit te komen van een geregistreerd
certificaat van Het Oranje Kruis, moeten zij alsnog getoetst worden door
een bevoegd instructeur Eerste Hulp aan Kinderen en een instructeur PBLS/AED.
Velen van u hebben verzoeken ontvangen om gastouders die door een niet
bevoegd Eerste Hulp aan Kinderen-instructeur zijn opgeleid, competent
te verklaren. Soms vraagt men u eerst de praktijkles(sen) te geven, soms
gaat het alleen om het afnemen van de toets.
Het is belangrijk ook in deze situatie vast te houden aan de eisen die
normaal worden gesteld aan de kandidaten voor een certificaat Eerste Hulp
aan Kinderen.
U bent als instructeur Eerste Hulp aan Kinderen gewend om de competenties
van uw cursisten tijdens de cursus te beoordelen. Hoe gaat u dat doen
als u alleen maar een toets kunt afnemen of alleen een praktijkles en
een toetmoment hebt om de kandidaten te beoordelen?
Met deze beknopte handleiding willen wij u een handvat geven om ook in
deze laatste situaties de kwaliteit van de Eerste Hulp hoog te houden.
Mogelijk kunt u er ook gebruik van maken bij uw 'normale' cursussen Eerste
Hulp aan Kinderen, hoewel het niet de bedoeling is in die praktijk verandering
te brengen.
In alle gevallen geldt dat u een kandidaat pas competent moet verklaren
als u ook werkelijk van die competentie overtuigd bent.
2.
Toetsing Eerste Hulp aan Kinderen
Het
certificaat eerste hulp aan Kinderen valt onder de 'Regeling, betreffende
het Diploma Eerste Hulp, de diploma's Jeugd Eerste Hulp en de daarop aansluitende
modules' met de daarbij behorende Uitvoeringsbepalingen (Zie http://www.ehbo.nl/Brochures/Regeling.pdf
en http://www.ehbo.nl/Brochures/uitvoeringsbepalingen.pdf.
In deze documenten worden de regels rondom examens en toetsen beschreven.
2.1
Aanmelding van de toets
De organiserende instantie meldt de cursus Eerste Hulp aan Kinderen uiterlijk
vier weken voor de start aan bij Het Oranje Kruis. Bij deze aanmelding
dienen de volgende gegevens aangeleverd te worden:
- NAW[1]-gegevens en relatiecode van de organiserende instantie
- Contactpersoon
- NAW-gegevens instructeur Eerste Hulp aan kinderen
- NAW-gegevens Instructeurs PBLS/AED
- Datum en tijdstip aanvang toets (als u een volledige cursus verzorgd,
is dat de laatste cursusdag)
- NAW-gegevens toetslocatie
Bij
afwijkende of onvolledige gegevens kan de aanmelding niet in behandeling
worden genomen. Dit leidt tot vertraging in de aanvraag.
2.2
Inhoud van de toets
Bij de toets wordt beoordeeld of de kandidaat de leerstof praktisch en
theoretisch beheerst. De kandidaat wordt getoetst op verschillende onderdelen
en moet voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de eindtermen voor
het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen (zie bijlage 1).
2.3
Opzet van de toets
Het afnemen van de toets kan op verschillende manieren gebeuren:
1. Gedurende de cursusperiode (theorie en praktijk), wordt de kandidaat
getoetst op zijn/haar vaardigheden.
2. De cursus wordt afgesloten met een toets
3. De instructeur verzorgt alleen het praktijkgedeelte van de cursus en
toetst dit ook
De
toets wordt afgenomen door een erkende Instructeur PBLS/AED en een instructeur
Eerste Hulp aan Kinderen. Dit kan één en dezelfde persoon
zijn.
Bij toetsing aan het eind van de cursus wordt elke kandidaat gedurende
±30 minuten geëxamineerd. De instructeur(s) mogen maximaal
4 uur achtereen toetsen afnemen. Daarna dient een pauze te volgen van
minimaal 45 minuten.
De kennis en vaardigheden van de kandidaten worden beoordeeld aan de hand
van (ongevals)situaties met een slachtoffer met een bepaalde stoornis
of letsel.
Het zwaartepunt van het examen ligt op de praktijk van de Eerste Hulp
aan Kinderen.
Assistentie door (jeugd)lotusslachtoffer is mogelijk, maar niet verplicht.
2.4
Legitimatie
Zowel kandidaten als de instructeurs die de toets afnemen moeten zich
bij aanvang van de cursus of bij het afnemen van de toets kunnen legitimeren
met een paspoort, identiteitskaart, toeristenkaart, rijbewijs of gemeentelijke
identiteitskaart. Zij die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten kunnen
gebruik maken van een paspoort, het verblijfsdocument van de vreemdelingendienst,
het vluchtelingenpaspoort of het vreemdelingenpaspoort.
2.5
Administratie afhandeling
Na afloop van de toets(en) stuurt de examinator het Registratieformulier
Eerste Hulp aan Kinderen (te downloaden via http://www.ehbo.nl/registratieaanv.htm)
én de individuele beoordelingslijsten van de kandidaten aan de
afdeling C&E van Het Oranje Kruis. Op de achterzijde van het registratieformulier
is ruimte om systematische fouten die geconstateerd zijn aan te geven.
Het Oranje Kruis zendt na ontvangst van de uitslag de geregistreerde certificaten
en facturen naar de organisatie.
Voor die kandidaten die al in het bezit zijn van een geldig diploma Eerste
Hulp wordt na ontvangst van de uitslag de registratie Eerste Hulp aan
Kinderen bijgeschreven. Deze registratie wordt bij de eerstvolgende verlenging
van het diploma hierop bijgeschreven. Indien gewenst, kan tegen meerprijs
een certificaat of een duplicaat verzonden worden.
Betalingen dienen uiterlijk twee weken na de factuurdatum door het Oranje
Kruis ontvangen te zijn.
2.6
Geldigheid certificaten
Het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen is gedurende 2 jaar geldig. De
geldigheidsdatum staat op het certificaat vermeld.
De geldigheidsduur van het certificaat wordt op grond van na- en bijscholing
telkens met 2 jaar verlengd wanneer men naar het oordeel van de bevoegde
beoordelaar op het gebied van Eerste Hulp aan Kinderen aan de gestelde
eisen voldoet.
De vervaldatum van certificaten van personen die al in het bezit zijn
van het diploma Eerste Hulp, wordt gekoppeld aan de vervaldatum van dit
diploma.
3.Praktische
tips
Het
Oranje Kruis streeft ernaar de toetsen voor deelnemers aan de cursus Eerste
Hulp aan Kinderen zo te organiseren en in te richten dat de omstandigheden
voor alle kandidaten zo gelijk mogelijk zijn. Examinatoren[2] spelen daarbij
een belangrijke rol.
Aan
het begin van de cursus/toetsdag, legt de instructeur aan de gehele groep
uit hoe getoetst. Hij/zij gaat in op de eigen rol van examinator. Wat
kunnen ze van de examinator verwachten? Maakt hij wel of geen opmerkingen
tussendoor? Stelt hij vragen? Verwacht hij wel/geen toelichting? Wat moet
je doen als je een fout maakt? Mag een kandidaat vragen om stopzetting
of niet? De bedoeling is om een zodanige setting te creëren dat de
kandidaat de gevraagde competenties kan laten zien. De kandidaten moeten
de kans krijgen ongestoord te werken. Dat betekent dat de examinator hen
zo min mogelijk onderbreekt.
De
toetsafname:
-Neem de tijd om kandidaten op hun gemak stellen door ze met een paar
korte zinnen welkom te heten. De kandidaat krijgt zo de gelegenheid aan
je stem en benadering te wennen voordat je met de opdracht begint.
-Maak de grenzen van de situatie duidelijk. Geef aan wanneer de beoordelingssituatie
begint en eindigt, welke handelingen echt moeten worden uitgevoerd en
welke niet.
-De kandidaat wordt beoordeeld op wat hij heeft laten zien, niet op wat
hij zegt. Competentie is handelen.
-De examinator is zich bewust van zijn eigen vooroordelen, stokpaardjes
e.d. en waakt ertegen dat deze van invloed zijn op de beoordeling.
-Houd rekening met toetsvrees.
-Probeer uit te stralen dat je vertrouwen hebt in de kandidaat. Geef kandidaten
niet het gevoel dat je op een fout zit te wachten.
-Vul de beoordelingslijsten zoveel mogelijk in tijdens de casussen.
-Vragen tijdens een casus (heb je alles gedaan? Wat zou je met een sieraad
doen?) en na afloop (waarom deed je dat zo?) moeten een doel hebben.
Tenslotte:
-Examinatoren doen tijdens de toetsdag geen uitlatingen over derden (personen
of organisaties) in de wereld van de Eerste Hulp aan Kinderen of aanpalende
gebieden.
-Als de examinator merkt dat cursisten van een bepaalde opleiding systematisch
dezelfde fout maken, kan hij/zij de aanwezige vertegenwoordiger van die
opleiding feedback geven. Daarnaast worden deze systematische fouten op
het registratieformulier genoteerd
4.
Gebruik beoordelingslijst
Tijdens
de toets wordt een beoordelingslijst ingevuld (bijlage 2). Om te slagen
moeten tenminste de onderwerpen Vijf belangrijke punten, Beoordelen bewustzijn,
Beoordelen ademhaling, Vrijhouden luchtweg (stabiele zijligging), Reanimeren/AED,
Stoppen uitwendig bloedverlies door druk ter plaatse, Verstikking met
competent worden beoordeeld.
Uit de overige groepen op de lijst, moet steeds minimaal 1 onderdeel getoetst
worden.
Bij het toetsen weegt de effectiviteit van de handeling zwaarder dan het
100% correct uitvoeren van de handeling.
Als
er gedurende de hele cursus getoetst wordt, gebruikt de (eigen) daarvoor
bevoegde instructeur de beoordelingslijst, waarop de competenties worden
afgetekend. Op de laatste cursusdag is zo de hele beoordelingslijst per
kandidaat ingevuld en is een duidelijk overzicht aanwezig van welke onderdelen
de kandidaat al beheerst en welke nog niet zijn getoetst. Bij de keuze
van de te toetsen onderwerpen houdt de instructeur/examinator hier rekening
mee. Op basis van deze gegevens wordt besloten of tot uitreiking van het
certificaat overgegaan kan worden of niet.
5. Tenslotte
-
Het kan zijn dat de instructeur alleen gevraagd wordt om aan het eind
van de cursus de toets af te nemen. In dit geval weet de instructeur niet
wat wel en wat niet geleerd is. Om een redelijk beeld van de cursus te
krijgen, wordt de examinator gevraagd wisselende onderwerpen te toetsen
bij de kandidaten.
- Indien er klachten zijn over de toets, verwijst de instructeur naar
de website van het Oranje Kruis, waar de folder Klachten gedownload kan
worden.
- de instructeur kan, als hij daar redenen voor heeft, het Oranje Kruis
gemotiveerd verzoeken een consulent bij de toetsafname aanwezig te laten
zijn.
Bijlagen:
1. Eerste hulp aan kinderen: eindtermen
2. Beoordelingslijst
Bijlage
1
Eerste Hulp aan Kinderen: eindtermen
Vastgesteld door het College van deskundigen, mei 2006.
Eindterm AED vastgesteld december 2008
Doelgroep
a. Bezitters van het Diploma Eerste Hulp
b. Belangstellenden die (nog) niet in het bezit zijn van het Diploma Eerste
Hulp. Deze ontvangen het certificaat Eerste Hulp aan Kinderen.
Algemene
doelstellingen
1. Inzicht verkrijgen in de verschillen tussen zuigelingen¹, kinderen
en volwassenen, die van belang zijn voor de eerstehulpverlening, zoals:
lichaamsbouw;
gedrag van zuigelingen en kinderen bij ongeval en ziekte en de wijze waarop
hierop het best kan worden gereageerd / mee kan worden omgegaan.
2. Eerste hulp verlenen aan zuigelingen en kinderen bij stoornissen in
de vitale functies en plaatselijke letsels, die veel bij zuigelingen en
kinderen voorkomen.
3. Inzicht verkrijgen in de gevaren die in het bijzonder zuigelingen en
kinderen bedreigen en de wijze waarop deze kunnen worden bestreden.
4. Kennis verkrijgen over de wijze waarop ongevallen bij zuigelingen en
kinderen kunnen worden voorkómen.
Eindtermen
Na het volgen van de module moet de eerstenhulpverlener aan de volgende
eisen voldoen om in het bezit te komen en te blijven van het certificaat
Eerste Hulp aan Kinderen.
1.
Algemene regels
Hij2 kan:
- de vijf belangrijke punten bij het verlenen van eerste hulp toepassen;
- omschrijven hoe een kind, zijn ouders of verzorgers bij een ongeval
of plotseling optredende ziekte het beste kunnen worden benaderd en gerustgesteld
en hoe paniek kan worden voorkómen / bestreden;
- beoordelen of al dan niet met spoed professionele hulp moet worden ingeschakeld
en deze op de juiste wijze (laten) alarmeren en zo nodig assisteren en
begeleiden;
- omschrijven hoe kindermishandeling kan worden herkend en hoe daarmee
moet worden omgegaan;
- aangeven welke maatregelen kunnen worden getroffen om de veiligheid
van kinderen te vergroten in en om huis, op straat, in een kinderdagverblijf
en op school.
1
Met zuigelingen worden kinderen tot 1 jaar bedoeld en met kinderen wordt
bedoeld kinderen van 1 jaar tot de puberteit.
2 Voor "hij", "hem" of "zijn" kan ook "zij"
of "haar" worden gelezen.
2.
Stoornissen in het bewustzijn
Hij kan:
- het bewustzijn van een kind beoordelen door aanspreken en voorzichtig
schudden;
- een stoornis in het bewustzijn bij een kind herkennen / vaststellen;
- de meest voorkomende oorzaken van bewustzijnsstoornissen bij kinderen
noemen.
2.1.
Flauwte
Hij kan:
- een (dreigende) flauwte bij een kind herkennen, bewustzijnsverlies voorkómen
en bij bewustzijnsverlies de juiste eerste hulp verlenen;
- aangeven wat de oorzaken van een flauwte zijn en hoe een flauwte kan
worden voorkómen.
3.
Stoornissen in de ademhaling
Hij kan:
- de ademhaling van een zuigeling en een kind beoordelen door kijken,
voelen en luisteren en aan de hand van zijn waarnemingen de juiste conclusie
trekken met betrekking tot het al dan niet voldoende functioneren van
de ademhaling;
- bij een zuigeling buikademhaling herkennen;
- bij een zuigeling en een kind een effectieve hoest herkennen / vaststellen;
- bij een zuigeling en een kind dat bij bewustzijn is en een niet effectieve
hoest heeft bij verslikking de luchtweg vrijmaken door het uitvoeren van
de daartoe geëigende handelingen, waaronder borstcompressies (zuigeling)
en de handgreep van Heimlich (kind);
- bij een zuigeling en een kind een normale of niet normale ademhaling
herkennen / vaststellen;
- een bewusteloze zuigeling of kind met een normale ademhaling in de stabiele
zijligging leggen en de ademhaling bewaken;
- aangeven wat bij zuigelingen en kinderen de meest voorkomende oorzaken
van ademhalingsstoornissen zijn.
4.
Stoornissen in het bewustzijn én de ademhaling
Hij kan:
- bij een zuigeling en een kind de circulatie beoordelen aan de hand van
het bewustzijn en de ademhaling;
- bij een bewusteloze zuigeling of kind met een niet normale of afwezige
ademhaling de mond openen en zichtbare voorwerpen verwijderen;
- bij een kind met een niet normale of afwezige ademhaling de mond-op-mond-
of mond-op-neusbeademing toepassen;
- bij een zuigeling met een niet normale of afwezige ademhaling de mond-op-mond-
of mond-op-neusbeademing toepassen;
- de verschillen aangeven tussen het beademen van volwassenen, kinderen
en zuigelingen;
- een zuigeling en een kind met een geconstateerde circulatiestilstand
reanimeren;
- de verschillen aangeven tussen het geven van borstcompressies bij volwassenen,
kinderen en zuigelingen;
- bij een bewusteloos kind met een afwezige of onvoldoende ademhaling
een Automatische Externe Defibrillator veilig en op de juiste manier gebruiken.
5.
Ernstige uitwendige bloedingen
Hij kan:
- een ernstige uitwendige bloeding bij een kind herkennen / vaststellen;
- een ernstige uitwendige bloeding stoppen door:
het getroffen lichaamsdeel omhoog te brengen;
druk op de plaats van de wond uit te (laten) oefenen.
6.
Shock
Hij kan:
- bij een kind een (dreigende) shock herkennen / vaststellen;
- aangeven wat bij kinderen de meest voorkomende oorzaken van shock zijn,
voor zover relevant voor de te verlenen eerste hulp;
- zo mogelijk de oorzaak van de (dreigende) shock bestrijden;
- algemene maatregelen nemen om verergering en/of ontstaan van shock te
voorkómen.
7.
Uitwendige wonden
Hij kan:
- een uitwendige wond bij een kind herkennen / vaststellen;
- op grond van plaats, oorzaak, grootte en diepte van de wond en de kans
op infectie en tetanus bepalen of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve
hulp verleent;
- verontreiniging en besmetting van de wond en bloedverlies beperken;
- de definitieve behandeling aan een kind met een eenvoudige wond geven:
wond reinigen;
wond ontsmetten;
wond hygiënisch afdekken;
zo nodig steun en rust geven aan het gewonde lichaamsdeel.
- eerste hulp verlenen aan een kind met een uitwendige wond in afwachting
van professionele hulp:
wond hygiënisch afdekken met een (wond)snelverband;
zo nodig rust en steun geven aan het gewonde lichaamsdeel.
8.
Brandwonden
Hij kan:
- bij een kind eerste -, tweede- en derdegraads brandwonden herkennen
/ vaststellen;
- op grond van plaats, uitgebreidheid en diepte van de verbranding bepalen
of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve hulp verleent;
- uitbreiding, verontreiniging en besmetting van brandwond(en) beperken;
- brandwonden koelen, bij voorkeur met zacht stromend, lauw (leiding)water;
- brandwonden hygiënisch afdekken;
- een kind met een mogelijk verbrande luchtweg in een zo comfortabel mogelijke
houding brengen;
- brandwonden door bijtende stoffen langdurig spoelen met veel lauw (leiding)water.
9.
Ontwrichting en botbreuken
Hij kan:
- een ontwrichting en een gesloten en open botbreuk bij een kind herkennen
/ vaststellen en verdere schade aan het getroffen lichaamsdeel voorkómen;
- pijn en ongemak voor het kind beperken;
- bij een open botbreuk verontreiniging en besmetting beperken;
- bij een ontwrichting en een botbreuk het getroffen lichaamsdeel onbeweeglijk
houden;
- rust en steun geven aan een ontwricht / gebroken lichaamsdeel;
- bij een open botbreuk de wond afdekken.
10.
Kneuzing en verstuiking
Hij kan:
- een kneuzing en verstuiking bij een kind herkennen / vaststellen;
- een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel koelen;
- een drukverband aanleggen om een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel;
- rust en steun geven aan een gekneusd of verstuikt lichaamsdeel.
11.
Oogletsels
Hij kan:
- een oogletsel bij een kind herkennen / vaststellen;
- bepalen of het verantwoord is dat hij zelf de definitieve hulp verleent;
- indien toelaatbaar de oorzaak van het oogletsel opheffen en verergering
en/of verlies van het gezichtsvermogen voorkómen;
- een loszittend vuiltje uit het oog verwijderen;
- bij een kind dat een bijtende stof in het oog heeft gekregen en bij
een kind met een verbrand oog het getroffen oog langdurig met lauw leidingwater
spoelen;
- aangeven dat bij een doordringende oogverwonding het voorwerp niet uit
het oog mag worden verwijderd;
- aangeven dat een kind met een oogletsel niet in het oog mag wrijven.
12.
Vergiftiging
Hij kan:
- vergiftiging via het spijsverteringskanaal bij een kind herkennen /
vaststellen;
- inwerking van het gif beperken;
- eerste hulp verlenen aan een kind dat
een niet bijtend gif,
een bijtend gif
of
een petroleumproduct via het spijsverteringskanaal in het lichaam heeft
gekregen.
13.
Elektriciteitsongevallen
Hij kan:
- elektriciteitsongevallen herkennen en de situatie veiligstellen;
- de gevolgen van elektrische stroom door het lichaam beperken / bestrijden;
- aangeven dat bij een elektriciteitsongeval het kind pas kan worden benaderd
nadat de stroomtoevoer is onderbroken;
- aan een kind met een stoornis in de vitale functies of brandwonden als
gevolg van een elektriciteitsongeval eerste hulp verlenen in overeenstemming
met de punten 2, 4, 5 en 9.
14.
Letsels door koude
Hij kan:
- algehele onderkoeling en bevriezing bij een kind herkennen / vaststellen;
- verdere afkoeling voorkómen;
- de vitale functies veiligstellen;
- bij bevriezing: uitbreiding, verontreiniging en besmetting beperken.
15.
Letsels door warmte
Hij kan:
- hittekrampen, warmte-uitputting en hitteberoerte bij een kind herkennen
/ vaststellen;
- de lichaamstemperatuur normaliseren / verdere stijging voorkómen;
- de vitale functies veiligstellen.
16. Kleine ongevallen
16.1
Bloedneus
- Hij is in staat om bij een kind een neusbloeding te stoppen.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet
worden ingeschakeld.
16.2
Vreemd voorwerp in neus of oor
Hij kan uitleggen:
- hoe een vreemd voorwerp bij een kind uit neus of oor kan worden verwijderd
en dit indien mogelijk ook uitvoeren;
- wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet worden ingeschakeld.
16.3
Vreemd voorwerp in de huid
- Hij kan vertellen hoe een loszittende splinter uit de huid van een kind
kan worden getrokken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet
worden ingeschakeld.
16.4
Insectensteken
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld als een kind door een
insect is gestoken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet
worden ingeschakeld.
16.5
Kwallensteken
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld als een kind door een
kwal is gestoken en dit ook uitvoeren.
- Hij kan uitleggen wanneer en waarom hiervoor professionele hulp moet
worden ingeschakeld.
16.6
Uitgeslagen tanden, tand door de lip
Hij kan aan een kind eerste hulp verlenen bij:
- uitgeslagen tanden;
- een tand door de lip.
16.7
Tekenbeten
- Hij kan uitleggen wat de gevaren zijn van een tekenbeet.
- Hij kan omschrijven hoe moet worden gehandeld bij een tekenbeet en dit
ook uitvoeren.
17.
Plotseling optredende ziekteverschijnselen
Hij kan uitleggen welke eerste hulp aan een kind moet worden verleend
bij:
- een astma-aanval;
- een aanval van epilepsie;
- (hoge) koorts;
- misselijkheid, braken;
- kiespijn;
- hoofdpijn;
- oorpijn;
- buikpijn, diarree;
- allergieën.
18.
Verband- en hulpmiddelen
Hij kan:
- omschrijven welk verbandmateriaal en andere hulpmiddelen het best kunnen
worden gebruikt bij het verlenen van eerste hulp aan kinderen;
- aangeven welk verbandmateriaal er tenminste in een verbanddoos moet
zitten voor gebruik in en om huis, op een kinderdagverblijf en op school.
19.
Het menselijk lichaam
Hij kan:
- globaal de bouw en werking van het menselijk lichaam beschrijven en
de verschillen aangeven tussen volwassenen, kinderen en zuigelingen, voor
zover nodig om te begrijpen welke eerste hulp bij de verschillende hierboven
genoemde stoornissen en letsels moet worden verleend, hoe en waarom.
Klik
hier voor beoordelingsformulier te downloaden
 |